Op 12 februari 2026 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen door de Tweede Kamer. Deze wet zou per 1 januari 2028 in werking moeten treden en voorziet in een stelsel waarin belasting wordt geheven over het gerealiseerde én ongerealiseerde rendement op bezittingen in box 3 (met aftrek van bepaalde kosten). Dit wijkt op essentiële onderdelen af van het huidige wettelijke stelsel, waarin belasting wordt geheven over bezittingen in box 3 op basis van een fictief rendement of – ingevolge de arresten van de Hoge Raad – het lagere werkelijke rendement.

Met name de belastingheffing over ongerealiseerd rendement leidde tot significante kritiek in de media van beleggers en belangenorganisaties. Mede ook hierdoor was reeds aangekondigd dat het stelsel dat in 2028 in werking zou treden tijdelijk zou zijn en dat de ambitie bestond om vanaf 2030 een stelsel in te voeren waarbij uitsluitend gerealiseerd rendement wordt belast (“vermogenswinstbelasting”).

Minister Heinen kondigde op 25 februari 2026 echter aan dat het wetsvoorstel in de toenmalige vorm wat hem betreft niet aan de Eerste Kamer kon worden aangeboden, omdat hij inschatte dat er een reële kans bestond dat het wetsvoorstel het niet zou halen. Welke gevolgen deze aankondiging zou hebben, was op dat moment niet geheel duidelijk. Een mogelijkheid was dat het huidige wettelijke stelsel zou blijven gelden tot een vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd.

Inmiddels is bekend dat het kabinet toch wil vasthouden aan de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028, met enkele wijzigingen om tegemoet te komen aan de geuite bezwaren tegen het wetsvoorstel. Zo wordt gedacht aan het toestaan van achterwaartse verliesverrekening van 2029 naar 2028. Daarnaast wordt een verbeterde definitie van een “startup” genoemd. Verder is bevestigd dat het stelsel dat per 1 januari 2028 moet worden ingevoerd, zo snel mogelijk zal worden omgevormd tot een vermogenswinstbelasting.

De hiervoor bedoelde wijzigingen moeten nog worden aangenomen door de Tweede en goedgekeurd door de Eerste Kamer, voordat deze definitief worden. Daarbij rijst de vraag of de beoogde datum van 1 januari 2028 haalbaar is.